Na de aankondiging van het Kerygma ontstaan gemeenschappen in de parochie, bestaande uit broeders en zusters die deze vorm van christelijke inwijding willen volgen. Met geleidelijkheid verschijnen onder deze broeders en zusters de tekens van het geloof: eenheid en liefde voor de vijand. Dit “morele wonder” roept ook degenen die ver zijn van de kerk op, tot de ontmoeting met Jezus Christus. De christelijke gemeenschap zal de liefde van God aan alle mensen brengen.

“Jullie doen apostolaat door gewoon te zijn wie jullie zijn, in een aansporing tot de herontdekking en het herstel van de ware, authentieke christelijke waarden – die anders in het dagelijks leven als het ware slapend, verborgen en verwaterd dreigen te zijn. Nog meer: jullie onderstrepen deze waarden, jullie laten ze naar het licht komen met een morele luister dat voorbeeldig is. Jullie beleven jullie Neocatechumenale gemeenschappen met een diep christelijk geest…
Hoeveel vreugde, hoeveel hoop geeft ons jullie aanwezigheid en jullie activiteit! Wij weten dat men in julli gemeenschappen zich inzet om de rijkdommen van het doopsel en de gevolgen van de verbondenheid met Christus te begrijpen en te ontwikkelen…
De beleving en bevordering van deze opwekking is wat jullie een vorm van “catechumenaat na-het-doopsel” noemen. Dit catechumenaat zal in de huidige christelijke gemeenschappen het respons van rijpheid en verdieping weer tot stand brengen, die de vroege kerk door de voorbereiding tot het doopsel realiseerde…
Jullie doen dit na het doopsel – vóór of na is secundair. Wat belangrijk is, is dat jullie de authenticiteit, de volheid, de coherentie en de eerlijkheid van het christelijk leven ten doel hebben”.
Heilige Paus Paulus VI, 8 mei 1974
“De praxis en de norm van de Kerk hebben de heilige gewoonte van het verlenen van het Doopsel aan pasgeborenen geïntroduceerd… en de hele voorbereiding die vóór het doopsel plaats moest vinden werd in de liturgie van het doopsel geconcentreerd… de voorbereiding die, in het begin, toen de maatschappij totaal heidens was, aan het doopsel voorafging, en die catechumenaat werd genoemd. Vandaag moet deze methode aangevuld worden met een soort onderwijs, met een initiatie die bij de christelijke manier van leven passend zou zijn. Dit onderwijs moet na het doopsel plaats vinden, om een godsdienstige ondersteuning te geven en een praktische training tot de christelijke trouw te verlenen. Door deze initiatie wordt de inwijding in de gemeenschap van de gelovigen die de Kerk is volbracht.
Daardoor komt de term “catechumenaat” weer in gebruik. Hiermee wordt het belang van de huidige discipline rond het doopsel niet ongeldig verklaard of verminderd. Toch is er wel sprake van aanpassing. Deze geleidelijke en intensieve methode van evangelisatie herinnert aan het catechumenaat van de vroege kerk, in zekere zin vernieuwt dit het. Wie al gedoopt is heeft de behoefte om het ontvangen Sacrament dieper te begrijpen, om hierover na te denken, om het te waarderen, om met zijn onschatbare waarde in te stemmen”.
Heilige Paus Paulus VI, 12 januari 1977